Waterliniepad Zuid: van Woerden naar Gorinchem

De Oude Hollandse Waterlinie leent zich uitstekend voor prachtige wandelingen, aan cultuur en natuur geen gebrek.

Het Waterliniepad is een route van 109 kilometer die via de vestingsteden dwars door de mysterieuze linie heen loopt. De route is opgedeeld in een noordelijk gedeelte (van Gorinchem tot Woerden) en een zuidelijk gedeelte (van Woerden tot Muiden). Daarmee wordt de reikwijdte van de Oude Hollandse Waterlinie (1672-1816) aangegeven: van de voormalige Zuiderzee in het noorden tot aan de grote rivieren in het zuiden.  Het Waterliniepad Zuid loopt van Woerden – via Fort Wierickerschans, Hekendorp, Schoonhoven,  en Nieuwpoort – naar Groinchem.

Het Waterliniepad valt tussen Oude Rijn en Hollandsche IJssel grotendeels samen met de onverharde kade aan de westkant van de Enkele Wiericke, de Prinsendijk: in 1672-1673 een cruciale keerkade van de Oude Hollandse Waterlinie, nu een hoog gewaardeerd wandelpad in het Groene Hart!

Fort Wierickerschans: driehonderd jaar vrede

Fort Wierickerschans ligt op de plaats van de hoofdverdedigingspost van Prins Willem III, uit de begintijd van de waterlinie. Het vierkante  fort van ruim 100 bij 100 meter,  met brede gracht om de hoge wallen, met vier grote bastions op de hoeken en diverse gebouwen, is ruim driehonderd jaar in militair gebruik gebleven.

Een van de opvallendste gebouwen binnen de wallen is een zwaar uitgevoerd Kruithuis uit 1747. Het fort heeft lang dienst gedaan als kruit- of munitiedepot. Andere oude gebouwen betreffen onder andere manschapsverblijven uit 1698, een hoofdpoort naar de Oude Rijn uit 1783, een Arsenaal annex paardenstal uit 1786 en een Kuiphuis uit 1828.

Over het monumentale fort zijn heel wat verhalen te vertellen. De bouw hing direct samen met de climax in de strijd om de Hollandse Waterlinie. Juist langs de Oude Rijn slaagden Franse troepen erin om in december 1672 door de waterlinie heen te breken, waarbij honderden boerderijen in de omgeving van Zwammerdam en Bodegraven werden verwoest. Reden voor de Prins om direct na het Rampjaar –  nog in 1673 – een nieuw fort te laten bouwen op het kruispunt van de Enkele Wiericke en de Oude Rijn.

Maar het is de ironie van de geschiedenis, dat juist op deze plaats nooit meer oorlogshandelingen zouden plaatsvinden. Fort Wierickerschans ligt er dus al ruim driehonderd jaar vredig en ongeschonden bij…

Buskruitmagazijn

Toen de waterlinie in de 18e en 19e eeuw naar het oosten werd verplaatst kwam Fort Wierickerschans steeds meer in de luwte te liggen. Al rond 1750 ging het dienen als buskruitmagazijn, eerst voor het gewest Holland en later voor het Koninkrijk der Nederlanden. Vanaf 1870 lag hier het centraal depot van springstoffen en ammunitie ter bevoorrading van de Grebbelinie en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De aanpassingen aan het fort vanaf die tijd zijn daarom grotendeels in verband te brengen met deze depotfunctie. De oorspronkelijke vierkante grondvorm heeft het fort daarbij behouden.

Het is achteraf een wonder dat de Wierickerschans nooit een keer in de lucht gevlogen is. Er zijn immers genoeg voorbeelden bekend waar de opslag van springstoffen vroeg of laat tot een ontploffing leidde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Fort Wierickerschans ook als interneringsoord van buitenlandse militairen die om de een of andere reden in ons land verzeild waren geraakt. Omdat ons land strikte neutraliteit nastreefde, moesten die militairen keurig opgesloten worden én blijven. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd er nauwelijks gevochten bij Fort Wierickerschans en in 1960 werd de vestingstatus van het fort opgeheven.

Inmiddels is het fort in de afgelopen jaren omgetoverd tot bruisend centrum van het Groene Hart. De gebouwen op het Terreplein zijn gerestaureerd door Stichting Fort Wierickerschans Groep en het Fort is nu in gebruik als multifunctioneel centrum. Zo vinden er o.a. bedrijfsfeesten en -presentaties, bruiloften, recreatieve tochten en educatieve rondleidingen plaats. Ook zijn er plannen om hier een bezoekerscentrum van de Oude Hollandse Waterlinie te vestigen.

Van Wierickerkade tot Prinsendijk

De Enkele Wiericke is een gegraven watergang tussen de Oude Rijn en de Hollandsche IJssel. Het land ten oosten van deze watergang werd onder water gezet voor de Oude Hollandse Waterlinie.

Dat betekende dat de westelijke kade langs de Enkele Wiericke veel meer water dan gewoonlijk moest keren. Zeker toen de vijand in 1672 opzettelijk zoveel mogelijk rivierwater vanuit het oosten naar hier dirigeerde. De noodzakelijke verzwaring en verhoging maakte van de kade een dijk. Dat gebeurde op bevel van Prins Willem III. Sindsdien heet die Wierickerkade: de Prinsendijk.

De Prinsendijk verloor haar strategisch belang in de 18e eeuw, toen de waterlinie verder naar het oosten werd verplaatst. Een lange periode van ‘slaperdijk’ volgde. Zo is het een goed begaanbare graskade geworden in het polderland van het Groene Hart.

De Wierickes: de waterlinie op zijn smalst

Het land tussen de Dubbele en Enkele Wiericke vormde in de beginfase van de Oude Hollandse Waterlinie een inundatiekom. Het water uit de Hollandsche IJssel kon onder meer worden ingelaten  in Hekendorp, via de Goejanverwellesluis.

De waterlinie tussen de beide Wierickes is niet breder dan ongeveer anderhalve kilometer. Daarom hielden de militairen dit smalle inundatiegebied nauwgezet in het oog: zowel aan de zuidkant van deze kom als aan de noordkant waren op de dijken verdedigingwerken aangelegd. Alleen Fort Wierickerschans is daar nog van over.

Goejanverwellesluis: de strijd tussen Patriotten en Prinsgezinden

Achter de Goejanverwellesluis werd in 1672-1673 een hoofdpost van het leger gevestigd. Voor de sluis was dwars op de dijk een retranchement, een verdedigingswal, opgeworpen. Deze Goejanverwelleschans volstond om de vijand hier de doortocht naar Holland te beletten. Nadat het gevaar was geweken, konden de verdedigingswal en het water van het ondergelopen land worden opgeruimd.

In een tijd van hoog oplopende politieke spanningen tussen Patriotten en Prinsgezinden verwierf de naam van de sluis, vlakbij de grens van Holland, landelijke bekendheid. In 1787 werd daar op 28 juni aan Prinses Wilhelmina van Pruisen, echtgenote van stadhouder Willem V, de toegang tot het opstandige Holland ontzegd. Veiligheidshalve herstelden de Hollanders vervolgens het oude retranchement voor de sluis – de Goejanverwelleschans – en probeerden ze de Oude Hollandse Waterlinie nieuw leven in te blazen. Dat lukte niet en zo kwam er een einde aan de rol van de Goejanverwellesluis in de waterlinie.

Verdwenen molens

Tussen de Hollandsche IJssel en de Lek diende het (noord)westelijk deel van de Lopikerwaard als inundatiekom voor de Oude Hollandse Waterlinie. Dat is het laagste deel van deze waard waar het teveel aan water ooit met talrijke watermolens op de Vlist en Hollandsche IJssel werd uitgemalen.

Bij de inundatie van 1672 werden de watermolens stilgezet, de uitwaterende sluizen dichtgemaakt en de boezemkades doorgegraven, zodat het water, dat voordien werd uitgemalen, zich binnendijks over het land kon verspreiden. Bovendien werd bij vloed rivierwater uit de Hollandsche IJssel en Lek ingelaten. Door dit alles raakte het lage gedeelte van de Lopikerwaard geïnundeerd tot aan de westelijke kade van de Vlist. Vrijwel alle molens in de Lopikerwaard zijn verdwenen, maar soms zijn nog de molenplaatsen herkenbaar.

Een kerkfort in Polsbroek

In de zomer van 1672 werd de Oude Hollandse Waterlinie met grote haast in werking gesteld. Het was het laatste redmiddel om Holland te verdedigen tegen de grote Franse legermacht uit het oosten. Voor een verdedigbare linie moest er in het grensgebied flink worden geïmproviseerd. Bij de doorgang in de Lopikerwaard naar Holland, liet het Staatse leger het oog vallen op de N.H. Kerk van Polsbroek. Uitgezonderd de buitenmuren, werd het gebouw geheel afgebroken en met palissaden tot een ‘fortres’ gemaakt. Daarna bleef het kerkfort ongeveer anderhalf jaar lang onderdeel van de linie. Dat werkte goed. Het lukte de vijand niet om in dit geïnundeerde deel van de Lopikerwaard een doorbraak te forceren.

Na afloop van de strijd in 1673 was de schade erg groot. De ontvangen vergoeding voor herstel van de kerk bleek niet toereikend. De eigenaren en gebruikers van het land van Polsbroek moesten toen zelf ook nog eens een geldelijke bijdrage leveren.

Koeneschans aan de Vlist

Van de Koeneschans resteert nog een schiereilandje in de Vlist. Dit relict ligt recht tegenover een hoofdwater- en landweg door de Lopikerwaard en ook op een klein kruispunt van kades en bruggen. Vanaf dit laatste kruispunt werd naar het zuiden de Fransekade aangelegd. Voor de Oude Hollandse Waterlinie was het land ten oosten van deze kade en vanaf de aansluitende Westvlisterdijk (in noordwestelijke richting), bestemd als inundatiegebied.

Een schans is een zelfstandig te verdedigen, aarden verdedigingswerk. Hier is dat een rond schiereilandje. De ligging van de Koene of Ronde Schans in de Vlist is niet toevallig: water wordt in Nederland als verdedigingsmiddel ingezet. Bij het woord ‘koen’ kan gedacht worden aan: ‘moedig, dapper in de strijd’ en ‘koene daden’. Op de schans heeft vroeger ook bebouwing gestaan. Met een kunstwerk is dit op een creatieve wijze voor bezoekers verbeeld.

De Fransekade uit 1672 … en 1794

In het Rampjaar 1672 werd de kaarsrechte Nieuwe of Fransekade aangelegd voor de Oude Hollandse Waterlinie. Dat is bijzonder, omdat meestal gebruik werd gemaakt van bestaande kades en dijken. De nieuwe kade verbond de Lekdijk met de Westvlisterdijk bij de Koeneschans.

Op deze wijze kon het land ten oosten hiervan onder water worden gehouden. Dat hielp om de vijand op voldoende afstand van Schoonhoven en de Koeneschans te houden. Verder is de kade van groot belang geweest, want hij heeft de Krimpenerwaard in 1672 voor een rampzalige overstroming behoed.

Na de aftocht van de vijandelijke troepen verdween niet alleen het inundatiewater, maar ook de nieuw aangelegde kade. Pas ruim een eeuw later, in 1794, werd de inundatiekade nogmaals aangelegd. Doel was opnieuw een Frans leger met inundatiewater op afstand te houden. De huidige Fransekade is uit die periode bewaard gebleven.

Het noordelijk deel, vanaf de Bovenberg tot aan de Koeneschans, is nog herkenbaar als dijklichaam voor de weg, maar het zuidelijk deel – van de Bovenberg tot de Lekdijk – verdween grotendeels van de kaart. Alleen het allerzuidelijkste deel vanaf de Lekdijk tot aan de huidige provinciale weg is nog intact en heet De Hem.

De acht bastions van Schoonhoven

De grensstad Schoonhoven maakte vanzelfsprekend onderdeel uit van de Oude Hollandse Waterlinie. Hoge aarden wallen met acht uitspringende bastions en een brede verdedigingsgracht maakten van de stad een vesting. De 17e-eeuwse vestingstructuur had de vorm van een hoefijzer, waarbij de lange zijden tot aan de rivier de Lek reikten. Zo bleef het lange tijd, omdat verwoestende belegeringen uitbleven.

De deels afgegraven vestingwal rond de oude stad is te voet grotendeels nog te volgen. Aan beide zijden van de Veerpoort is de oude hoge stadswal tegenwoordig onderdeel van de rivierwaterkering.

De dijkbatterij van Willige Langerak

De rivier de Lek met aan beide zijden de hoge dijken doorkruist het inundatiegebied van de Oude Hollandse Waterlinie. De vestingwerken van Schoonhoven en Nieuwpoort moesten ervoor zorgen dat deze doorgang naar Holland afdoende verdedigd kon worden. In 1794 werd aan de noordkant van de rivier nog een aarden batterij toegevoegd. Het werk verrees in de bocht van de Lekdijk bij het binnendijkse wiel ‘het Gat’ in Willige Langerak. Met vier stuks geschut konden de dijk, het buitendijkse land en de rivier vandaar onder schot worden gehouden.

Vanaf de batterij was een kade op de buitenzijde van de dijk aangelegd, tot aan de zogenaamde lunetten (punten) bij de stenen beer in de verdedigingsgracht van Schoonhoven. Toen de aarden batterij niet meer nodig was, werd het verdedigingswerk deels vergraven. Een dijkmagazijn op dijkhoogte staat nu nog op de plaats waar vroeger de kanonnen stonden.

De inundatiesluis van Nieuwpoort

Een terras in het sfeervolle centrum van Nieuwpoort

Nieuwpoort is als kleine vestingstad van de Oude Hollandse Waterlinie in het laatste kwart van de 17e eeuw ontworpen en aangelegd. De nieuwe vesting op de Lekdijk kreeg in het midden, onder het Raadhuis, een inundatiesluis die onbereikbaar was voor de omwonenden. Inwoners van de Alblasserwaard hadden namelijk in 1672 geprobeerd de militaire inundatie ongedaan te maken.

De vestingplattegrond is hier grotendeels uitstekend bewaard gebleven: het oude stadje ligt na ruim drie eeuwen nog altijd binnen een brede gracht, verscholen achter hoge aarden wallen met zes bastions. Een rondgang daarover wordt alleen onderbroken door zogenaamde coupures voor het verkeer.

De Westermolen in Langerak

De Alblasserwaard was in de Oude Hollandse Waterlinie een inundatiekom tussen de Lek en de Merwede. In de beginfase van de linie werd een oostelijk en noordelijk deel hiervan geïnundeerd. Ook de omgeving van de Westermolen of Langerakse Molen hoorde daarbij.

Voor de inundatie moesten alle watermolens het overtollige water niet langer op de rivieren uitmalen, maar in de waard laten. Dat was echter niet voldoende in de droge zomer van 1672. Ook moesten rivierdijken worden doorgegraven. In Langerak is dat met de Lekdijk gebeurd. Nadat de vijand door de provisorische schans op de Lekdijk in Ameide-Sluis was gebroken, werd het kasteel van Langerak in staat van verdediging gebracht. Tot een verdere doorbraak van de Franse troepen kwam het echter niet.

Het verdwenen slot Noordeloos

In de omgeving van Noordeloos werd in 1672-1673 het gebied van het waterschap de Overwaard – de oost- en noordkant van de Alblasserwaard – onder water gezet.

Hoewel de vijand dichtbij kwam – bewoners rond een verdedigingspost bij de Grote Wiel aan de Bazeldijk leden schade – bleef een doorbraak uit. Meer dan een eeuw later, in 1787, probeerden de Patriotten de Bazeldijk door te graven om zo de waterlinie te doen herleven. Dat lukte niet goed, mede door tegenwerking van de Oranje-aanhang. Daarna werd het tracé van de waterlinie verlegd naar Gelders gebied ten oosten van de Diefdijk.

De oude boerderijen en huizen van Noordeloos staan in een lang lint langs de gelijknamige hoofdstroom. Daaronder was ook het Middeleeuwse slot Noordeloos  waarvan de fundamenten met de gracht en de brug bewaard zijn gebleven.

De Schelluinse Vliet en de waterlinie

Via de Schelluinse Vliet wordt water afgevoerd naar het veenriviertje de Giessen. Dat riviertje was vanouds de spil in het watersysteem in deze regio en dus ook voor de Oude Hollandse Waterlinie.

Voor een snelle inundatie in de zomer van 1672 had de sluis in de Giessendam niet de vereiste capaciteit. Verschillende rivierdijken werden daarom doorgegraven, dit tot ‘grooten schrik’ van de boeren. Een herhaling dreigde in 1787, toen de Hollandse Patriotten een waterlinie wilden om zich teweer te stellen tegen Oranje en de Pruisen. Dat liep echter met een sisser af.

Tijdens het beleg van Gorinchem in de winter van 1813-1814 – in de nasleep van de val van Napoleon – verbleef een Pruisische luitenant-kolonel in het kasteel van Schelluinen. Daar werd de overeenkomst getekend die een eind maakte aan de strijd om de vestingstad.

De grote vestingwal van Gorinchem

De hoofdvestingwal van Gorinchem, met elf bastions, een klein tolbastion, vier stadspoorten, een verdedigingsgracht met een ravelijn en twee stenen beren was al aangelegd vóór de tijd van de Oude Hollandse Waterlinie. Maar in de hectische beginfase van de linie moest Gorinchem in allerijl in staat van verdediging gebracht worden. Vooral aan de oostkant werden toen, en ook later, nieuwe vestingwerken aangelegd. Die bestaan grotendeels nog. Ook is daar een monumentale stadspoort bewaard gebleven, de Dalempoort. Verder dateert de Korenbrugsluis met schotbalkkering in de Lingehaven uit de tijd van de oude waterlinie.

In Gorinchem overlappen de Oude en de Nieuwe Hollandse Waterlinie (1815-1963) elkaar. Vestingstad Gorinchem vormt dan ook het begin- en eindpunt van het Waterliniepad Zuid.